Ga verder naar de inhoud

Arbeidsreserve

Niet iedereen die werkt, wordt optimaal ingezet op de arbeidsmarkt. Niet iedereen die niet werkt, staat volledig buiten de arbeidsmarkt. Tussen de werkende bevolking en de groep die niet direct actief is op de arbeidsmarkt, bevindt zich een brede en gevarieerde groep mensen met een zeker arbeidspotentieel. Dit benoemen wij als de arbeidsreserve. Het in kaart brengen van die arbeidsreserve is al vele jaren een van de speerpunten van het Steunpunt Werk. Niet alleen om te weten hoe groot die groep is, maar ook om te begrijpen wie er deel van uitmaakt, hoe ver zij van de arbeidsmarkt afstaan, en welke kansen en drempels er zijn om hen te ondersteunen naar duurzame tewerkstelling.

De arbeidsreserve is geen homogeen geheel, zo toonden we al geregeld aan in onze eerdere publicaties en cijferanalyses. Ze omvat zowel mensen die al aan het werk zijn maar meer zouden willen of kunnen werken, als mensen die helemaal niet werken maar dat wel wensen of daartoe potentieel hebben. Om dit volledige beeld te schetsen, maken we gebruik van de microdata van twee databronnen: de Enquête naar Arbeidskrachten (EAK) van Statbel, die vertrekt vanuit het zoekgedrag, de arbeidswens en de zelfperceptie van mensen, en het Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming (DWH AM&SB) van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid (KSZ), dat een administratief beeld biedt op basis van officiële sociale-zekerheidstatuten. Beide bronnen vullen elkaar aan en laten toe om de arbeidsreserve vanuit verschillende invalshoeken te benaderen. We vullen dit hier en daar ook aan met andere bronnen of kwalitatief studiewerk.

Op deze pagina brengen we de arbeidsreserve in beeld vanuit drie perspectieven: de arbeidsreserve bij de werkenden, de arbeidsreserve bij de werklozen en de arbeidsreserve bij de niet-beroepsactieven. Tot slot focussen we ook op onze ontwikkelingen van de potentiële werkzaamheidsgraad: de werkzaamheidsgraad die kan bereikt worden indien een deel van de arbeidsreserve aan de slag zou gaan.

Sarah Vansteenkiste

1. Arbeidsreserve bij de werkenden

Tijdsgerelateerde ondertewerkstelling

Niet iedereen die werkt, doet dat ook in de mate waarin hij of zij dat zou willen of kunnen. Een deel van de werkende bevolking vormt daarom ook een arbeidsreserve: het gaat hier om mensen die reeds aan de slag zijn, maar graag meer uren willen presteren en daar (tijdelijk) de kans niet toe krijgen. We noemen deze groep de ondertewerkgestelden of de werkende arbeidsreserve. Het gaat enerzijds om mensen die deeltijds werken en die aangeven liever meer te werken en daarvoor ook beschikbaar zijn. Anderzijds omvat deze groep ook voltijds werkenden die een tijdelijke reductie van de arbeidsuren ervaren omwille van overmacht of economische redenen (tijdelijke werkloosheid). We stellen cijfers over tijdsgerelateerde ondertewerkstelling op basis van EAK ter beschikking voor België, de gewesten en de provincies op jaarbasis in ons dashboard Arbeidsreserve. Bijkomend bieden we de recentste trendcijfers aan in ons dashboard Provinciale Trendindicatoren. We bieden ook de mogelijkheid aan om Vlaanderen te vergelijken met de andere gewesten en Europese landen via ons dashboard Vlaanderen binnen Europa, waar we het aandeel deeltijds ondertewerkgestelden tonen als aparte subgroep. Deze indicator komt overeen met de definitie van Eurostat en geeft het aandeel deeltijds werkende personen weer die graag meer uren willen werken en ook binnen twee weken beschikbaar zijn om dat te doen.

Werkenden in ziekte of met handicap

Maar ook werkenden in een ziektestelsel of met een handicap behoren tot de werkende arbeidsreserve: zij hebben weliswaar een job, maar hun arbeidspotentieel wordt niet volledig benut of ze zijn volledig afwezig van het werk. In ons dashboard arbeidsreserve brengen we deze groep in beeld via onze berekeningen op de administratieve data van het datawarehouse arbeidsmarkt en sociale bescherming van de KSZ, naar omvang, profielkenmerken en evolutie doorheen de tijd. We bieden dit cijferwerk ook aan tot op het lokale niveau (gewesten, provincies, regio's, steden en gemeenten) via onze Vlaamse Arbeidsrekening. We kunnen een onderscheid maken tussen werkenden minder dan 1 jaar in ziekte, werkenden meer dan 1 jaar in ziekte, werkenden met een tegemoetkoming voor personen met een handicap, werkenden in een situatie van arbeidsongeval en werkenden in beroepsziekte. We tonen in het dashboard arbeidsreserve ook welke transities deze mensen een jaar later maken: blijven ze deeltijds werken, gaan ze meer werken, of stromen ze uit naar een andere positie op de arbeidsmarkt? Ook een (tijdelijke) vermindering van de tewerkstelling brengen we in kaart, denk aan redenen van loopbaanonderbreking/tijdskrediet of moederschaps-, geboorte-, en adoptieverlof.

Naast heel wat cijfermateriaal, brengen we geregeld ook duiding bij de arbeidsreserve die er bij de verschillende groepen van werkenden aanwezig is. Deze kan u steevast terugvinden in onze publicatiereeks op de website.

2. Arbeidsreserve bij werklozen

Een tweede groep binnen de arbeidsreserve wordt gevormd door de werklozen: mensen die niet werken, maar wel begeleid worden door VDAB als werkloze (administratieve benadering) of actief op zoek zijn naar werk én op korte termijn beschikbaar zijn om aan de slag te gaan (Internation Labour Organization (ILO)-benadering in enquêtedata). Dit is de meest zichtbare en ook de meest arbeidsmarktdichte deel van de arbeidsreserve. Werklozen staan per definitie het dichtst bij de arbeidsmarkt: ze zoeken actief, zijn beschikbaar of zijn in veel gevallen ook al gekend bij VDAB als werkzoekende.

Binnen de werkloze arbeidsreserve maken we een onderscheid tussen twee databronnen die elk een eigen beeld geven. Op basis van de EAK hanteren we de internationale ILO-definitie van werkloosheid, die vertrekt vanuit het zoekgedrag en de beschikbaarheid van mensen zelf. Op basis van de administratieve data van het DWH AM&SB brengen we de werklozen in beeld zoals zij gekend zijn in de sociale zekerheid, denk aan de volledig uitkeringsgerechtigde werklozen of de werkloze werkzoekenden zonder werk bij VDAB. Beide benaderingen zijn complementair: de surveydata geeft een breder en meer gedragsgericht beeld, terwijl de administratieve data nauwer aansluit bij de officiële statuten en toelaat om meer gedetailleerde profielinformatie te koppelen.

In ons dashboard arbeidsreserve brengen we de werkloze arbeidsreserve in beeld naar omvang, profielkenmerken en evolutie doorheen de tijd, met opdelingen naar geslacht, leeftijd, en geboorteland. We tonen ook de transities die werklozen een jaar later maken: stromen zij in naar werk, blijven zij werkloos, of verdwijnen zij uit de arbeidsmarkt naar niet-beroepsactiviteit? Die transitie-informatie is bijzonder waardevol om te begrijpen hoe werklozen effectief doorstromen naar werk, en welke groepen daarin minder goed slagen. De recentere trends en ontwikkelingen van deze groep brengen we daarnaast naar voor in ons dashboard Trendindicatoren Vlaamse arbeidsmarkt. We bieden ook cijferwerk aan tot op het lokale niveau (gewesten, provincies, regio's, steden en gemeenten) via onze Vlaamse Arbeidsrekening.

3. Arbeidsreserve bij niet-beroepsactieven

Een laatste, omvangrijkere groep van de arbeidsreserve is niet aan het werk en ook niet werkloos, en bevindt zich (voorlopig) buiten de arbeidsmarkt. Het gaat om mensen die niet werken, maar die afhankelijk van hun situatie en de afstand die zij tot de arbeidsmarkt ervaren, potentieel bereikbaar zijn om op kortere of langere termijn (terug) aan het werk te gaan. We onderscheiden daarbinnen meerdere groepen, die sterk van elkaar verschillen naar profiel, motivatie en afstand tot de arbeidsmarkt. We richten ons hier op 4 belangrijke groepen:

1. Personen die niet werken, en ook niet tegelijk zoekend zijn naar werk én meteen beschikbaar zijn om te starten.

Via de microdata van de EAK kunnen we deze personen in beeld brengen. Zij lijken nog relatief dicht bij de arbeidsmarkt te staan. Het gaat om:

  • Niet-beroepsactieven die wel actief zoeken maar niet beschikbaar zijn: studies dienen nog afgerond te worden, men heeft geen alternatief voor de zorg voor kinderen, men is (tijdelijk) arbeidsongeschikt, enzovoort.
  • Niet-beroepsactieven die willen werken en beschikbaar zijn, maar toch niet actief zoeken naar een baan. Het zijn vaak ontmoedigde werklozen. Ze hebben de hoop opgegeven, omdat ze denken niet over de juiste kwalificaties te beschikken, geen werk in de nabije omgeving te vinden, moeilijkheden hebben met de taal, of denken dat ze te jong of te oud zijn voor een baan.
  • Niet-beroepsactieven die niet actief naar werk zoeken én niet beschikbaar zijn voor werk, maar zichzelf wel percipiëren als werkend of werkloos wanneer gepeild wordt naar hun arbeidsmarktstatus. Ze voelen met andere woorden toch nog steeds een band met de arbeidsmarkt. Zo worden bijvoorbeeld personen die louter vrijwilligerswerk uitvoeren of personen die langer dan drie maanden in loopbaanonderbreking zijn niet als werkend beschouwd volgens de ILO-definitie maar kunnen ze zichzelf wel als werkend bestempelen. Anderzijds vallen personen die passief op zoek zijn naar een job en niet beschikbaar zijn om binnen de twee weken te starten niet onder de ILO-werkloosheidsdefinitie maar kunnen ze zichzelf wel percipiëren als werkloos.

2. Niet-beroepsactieve huisvrouwen en -mannen

Ook op deze personen kunnen we zicht geven via de microdata van de EAK van Statbel. Dit zijn personen die niet zoekend en niet beschikbaar zijn voor werk en bewust of omwille van zorgtaken of andere redenen thuis zijn en geen betaalde arbeid verrichten. Binnen deze groep zijn er ook mensen die een onvervulde arbeidswens hebben. Eerder onderzoek van het Steunpunt Werk toonde aan dat het enerzijds gaat over vrouwelijke 55-plussers die geboren zijn binnen België of de EU. Dit is eerder een uitdovende groep, aangezien we al geruime tijd constateren dat steeds meer generaties van Belgische vrouwen aan het werk gaan. Anderzijds gaat het over vrouwen uit de jongere leeftijdsgroep (25-54 jaar), waarbinnen we een oververtegenwoordiging vaststellen van personen met een niet-Belgische achtergrond en kortgeschoolden.

3. Niet-beroepsactieven in ziekte of handicap

Een derde en bijzondere aandachtsgroep zijn de niet-beroepsactieve arbeidsongeschikten: mensen die omwille van ziekte, een beperking of langdurige gezondheidsproblemen niet aan het werk zijn. Deze groep is de voorbije jaren sterk gegroeid en vraagt bijzondere beleidsaandacht. In ons dashboard arbeidsreserve brengen we deze groep in beeld via onze berekeningen op de administratieve data van het DWH AM&SB, naar omvang, profielkenmerken en evolutie doorheen de tijd. We kunnen een onderscheid maken tussen niet-beroepsactieven minder dan 1 jaar in ziekte, niet-beroepsactieven meer dan 1 jaar in ziekte en niet-beroepsactieven met een tegemoetkoming voor personen met een handicap. We tonen ook welke transities deze mensen een jaar later maken: gaan ze aan de slag, blijven ze in ziekte of handicap, of stromen ze door naar een andere positie op de arbeidsmarkt?

4. Niet-beroepsactieven in leefloon of andere financiële hulp

Een vierde aandachtsgroep zijn de personen die een leefloon of andere vorm van financiële steun van het OCMW ontvangen. Het gaat om mensen die niet werken en ook niet over voldoende eigen middelen beschikken om in hun levensonderhoud te voorzien. Zij behoren tot een erg kwetsbare groep op de arbeidsmarkt: de afstand tot werk kan groot zijn door uiteenlopende drempels die zij ervaren op het vlak van werk, maar ook op andere welzijns- ,gezondheids-, of privédomeinen. Toch is ook deze groep niet homogeen. Een deel van de leefloongerechtigden heeft een reële arbeidswens en staat dichter bij de arbeidsmarkt dan op het eerste gezicht lijkt. Vanuit beleidsoogpunt is deze groep dan ook bijzonder relevant: het activeringsbeleid voor leefloongerechtigden, waarbij VDAB en de OCMW's nauw samenwerken, richt zich expliciet op het ondersteunen van deze mensen naar duurzame tewerkstelling. Wij brengen deze groep in beeld in het dashboard arbeidsreserve en in de Vlaamse Arbeidsrekening, waar cijfers beschikbaar zijn tot op het niveau van steden en gemeenten. Zo kunnen lokale besturen en OCMW's gericht opvolgen hoe groot deze groep is in hun gemeente, hoe zij evolueert, en in welke mate er doorstroom naar werk plaatsvindt.

Voor elk van deze groepen brengen we in onze dashboards de omvang, de profielkenmerken en de evolutie in de tijd in beeld. In het dashboard arbeidsreserve tonen we ook de transities die mensen vanuit deze posities maken naar werk, werkloosheid of andere niet-beroepsactiviteit een jaar later. Zo krijgen we niet alleen een statisch beeld van de arbeidsreserve, maar ook een dynamisch inzicht in de doorstroom naar en van de arbeidsmarkt. In het dashboard Vlaanderen binnen Europa kunnen we voor enkele van deze groepen ook vergelijkingen maken van de Vlaamse prestaties met de andere regio's en Europese landen. In het dashboard Vlaamse Arbeidsrekening bieden we een lokaal zicht op deze groepen.

Naast heel wat cijfermateriaal, brengen we geregeld ook duiding bij de arbeidsreserve die er bij de verschillende groepen van de niet-beroepsactieven aanwezig is. Deze kan u steevast terugvinden in onze publicatiereeks op de website.

4. Potentiële werkzaamheidsgraad indien een deel van de arbeidsreserve aan de slag zou gaan

Naast het in kaart brengen van de arbeidsreserve op zich, stellen we ons ook de vraag: wat zou er gebeuren met de werkzaamheidsgraad als een deel van die arbeidsreserve effectief aan de slag zou gaan? Dat is de logica achter de potentiële werkzaamheidsgraad: een indicator waarmee we berekenen hoe hoog de werkzaamheidsgraad zou kunnen zijn als bepaalde groepen van de niet-werkende arbeidsreserve actief zouden worden op de arbeidsmarkt.

We hanteren daarvoor twee invalshoeken die elkaar aanvullen.

  • Een eerste benadering gaat na hoe de werkzaamheidsgraad zou evolueren als we de meest arbeidsmarktdichte groepen van de arbeidsreserve, ofwel de potentiële arbeidsreserve — de actieve werklozen, de zoekende of beschikbare niet-beroepsactieven en de niet-beroepsactieven die zichzelf als werkend of werkloos percipiëren — aan de slag zouden krijgen. Dit geeft een beeld van wat er mogelijk is als de mensen die het dichtst bij de arbeidsmarkt staan, effectief instromen.
  • Een tweede benadering vertrekt vanuit de daadwerkelijke instroompercentages naar werk voor álle groepen binnen de niet-werkende arbeidsreserve, zijnde de werklozen en de verschillende groepen niet-beroepsactieven, terwijl de uitstroom van werkenden op hetzelfde niveau blijft. Hierbij analyseren we in het startjaar voor de bovengenoemde groepen hoeveel personen in het eindjaar daadwerkelijk naar werk zijn doorgestroomd. Deze instroom tellen we vervolgens op bij de huidige groep werkenden. Met deze oefening kunnen we ook een 'wat-als-scenario' verkennen. Zo kunnen we simuleren wat er gebeurt wanneer de werkinstroom van huisvrouwen en -mannen stijgt naar 10% en die van arbeidsongeschikten naar 15%, terwijl de instroom van werklozen en andere niet-beroepsactieve groepen gelijk blijft en de uitstroom uit werk beperkt wordt.

Beide indicatoren zijn beschikbaar voor het Vlaams Gewest en de andere gewesten, en worden waar mogelijk ook uitgesplitst naar socio-demografische kenmerken. U vindt de cijfers en methodologische duiding op ons dashboard potentiële werkzaamheidsgraad. We hebben ook verschillende publicaties waar we deze indicatoren verder hebben geanalyseerd.