Ga verder naar de inhoud

Competentieprognoses - aanbodzijde

De werkpakketten van het Steunpunt Werk bestaan uit twee grote onderdelen: de monitoring van de Vlaamse arbeidsmarkt en het opstellen van competentieprognoses voor Vlaanderen. Op deze pagina richten we ons op de competentieprognoses van de aanbodzijde van de Vlaamse arbeidsmarkt. Wanneer we spreken over de aanbodzijde van de arbeidsmarkt, staat het perspectief van het individu dat zich aanbiedt op de arbeidsmarkt centraal. We kijken daarbij in eerste instantie naar wie er op de toekomstige arbeidsmarkt kan instromen vanuit een niet-werkende positie, zij het als schoolverlater of als werkzoekende. Daarnaast richten we ons ook op wie vanuit een werkende positie via omscholing, bijscholing of transities het toekomstige arbeidsaanbod kan helpen vormgeven. Het aanbodperspectief is daarmee de onmisbare tegenhanger van de vraagzijde: pas wanneer we weten wat er gevraagd wordt én wie er beschikbaar is, kan een zinvolle vergelijking worden gemaakt. Beide zijden worden in ons geïntegreerd matchingsmodel uiteindelijk naast elkaar gelegd om toekomstige spanningen op de arbeidsmarkt te signaleren.

Met de competentieprognoses langs de aanbodzijde trachten we een antwoord te bieden op vragen als: hoeveel schoolverlaters kunnen de komende jaren naar verwachting instromen op de Vlaamse arbeidsmarkt per scholings- en studieniveau en studiedomein? En in welke sectoren en beroepen komen zij terecht? Hoeveel werkzoekenden kunnen er in de toekomst instromen in de verschillende sectoren en beroepen, en welke profielen hebben zij? Hoe kan de competentiebasis van werkenden beter benut worden om toekomstige krapte op te vangen? En welke competenties brengen de verschillende groepen van het arbeidsaanbod mee, en sluiten die aan bij wat werkgevers de komende jaren zoeken?

Om deze vragen te beantwoorden, bieden we drie inhoudelijke domeinen aan, die we elk op een afzonderlijke pagina toelichten.

Sarah Vansteenkiste

Met onze schoolverlatersprojecties ramen we de toekomstige evoluties van jongeren onder de 30 jaar die het onderwijs verlaten in Vlaanderen, op basis van scholingsniveau, studieniveau, en studiedomein. We bieden ook zicht op de toekomstige instroom die we van hen verwachten in sectoren volgens hun studieachtergrond. De komende jaren werken we ook aan modellen waarmee we de instroom in beroepen kunnen weergeven, aan bijkomende scenario's waarmee we onder andere rekening willen houden met de meest recente trends in studiekeuze, en aan het incorporeren van de modernisering van het secundair onderwijs. Ten slotte verkennen we via innovatief en experimenteel onderzoek hoe we met onze projecties op termijn kunnen inschatten over welke competentes (toekomstige) schoolverlaters beschikken.

Met onze werkzoekendenprojecties brengen we op een vergelijkbare manier de verwachte instroom van werkzoekenden in kaart, met bijzondere aandacht voor hun profiel en de sectoren waarnaar zij doorstromen. We volgen de VDAB-definitie van werkzoekenden zonder werk: burgers zonder job die zich bij VDAB als werkzoekende hebben ingeschreven. Werkzoekenden omvatten dus niet enkel werkzoekenden met een werkloosheidsuitkeringsaanvraag, maar ook verschillende niet-beroepsactieve categorieën, zoals werkzoekenden ten laste van het OCMW of met een ziekte-uitkering. Hiermee sluiten we aan bij de bredere arbeidsreservebenadering die centraal staat in het Vlaamse arbeidsmarktbeleid en in ons eigen werk. Op termijn werken we ook hier toe naar een vertaalslag naar het niveau van beroepen en competenties.

Onze werkendenprojecties vormen de meest verkennende en methodologisch innovatieve uitbreiding van ons aanbodmodel. Het toekomstig arbeidsaanbod wordt immers niet alleen bepaald door wie de arbeidsmarkt vanuit een niet-werkende positie of schoolverlaterspositie betreedt: ook werkenden die via omscholing, bijscholing of een loopbaanswitch van sector of beroep wisselen, spelen een cruciale rol. Er bestaat evenwel geen gestructureerde databron die de competenties van alle werkenden in Vlaanderen in kaart brengt, waardoor het uitwerken van een methodologie voor deze groep aanzienlijke datatechnische en wetenschappelijke uitdagingen met zich meebrengt. Bovendien is er maar beperkte capaciteit over om hier iets rond te doen. Daarom is dit eerder een beperkter experimenteel luik dat we de komende jaren verder opnemen.

Een stapsgewijze aanpak met sterke data-uitdagingen

De aanpak die we hanteren is stapsgewijs en methodologisch ambitieus. Voor de twee meest centrale groepen van het toekomstig arbeidsaanbod - schoolverlaters en werkzoekenden - hebben we projectiemodellen ontwikkeld die de verwachte instroom in sectoren ramen. Deze modellen bouwen voort op diverse databronnen: de bevolkingsvooruitzichten van het Federaal Planbureau, de schoolverlatersdata en werkzoekendendata van VDAB, en de arbeidsmarktgegevens uit het Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming van de Kruispuntbank voor Sociale Zekerheid. In een volgende stap verkennen we de link naar beroepen. Dit is echter niet zo evident, aangezien er in België geen administratieve beroependata bestaan, waar dit in bepaalde andere landen wel het geval is. Daardoor moeten we beroep doen op enquête-data waarmee we sneller op allerlei datalimieten botsen.

Een bijzondere uitdaging bij de aanbodzijde is de vertaalslag naar het niveau van competenties. Aan de vraagzijde kunnen we daarvoor o.a. steunen op de Competent 2.0-beroepen- en competentiestandaard van VDAB, die voor een breed scala aan beroepen beschrijft welke competenties werkgevers vragen. Voor de aanbodzijde ontbreekt een vergelijkbaar instrument: er bestaat in Vlaanderen - en in België - geen gestructureerde databron die systematisch en in eenzelfde taal vastlegt welke competenties zij hebben. Bij de werkzoekenden is er het meeste data voorhanden, en kunnen we beroep doen op Competent 2.0 van VDAB. Bij schoolverlaters bieden centrale registraties van diploma's en gevolgde opleidingen enige houvast, maar vaardigheden die op de werkvloer, via informeel leren, of door levenservaring worden opgedaan, blijven volledig buiten beeld. Dat maakt het langs de aanbodzijde fundamenteel moeilijker om uitspraken te doen over competenties dan langs de vraagzijde. Het ontwikkelen van een methodologie die deze lacune aanpakt, vraagt wetenschappelijk innovatief onderzoek, intensieve samenwerking met databeheerders en beleidsactoren, en een experimentele aanpak waarbij we stapsgewijs toewerken naar bruikbare resultaten. Om die redenen vergt de uitbouw van het competentieniveau langs de aanbodzijde meer tijd en capaciteit, en bouwen we dit luik bewust gefaseerd op over de komende jaren.

Competentieprognoses ondersteunen toekomstgericht denken

Onze macrocompetentieprognoses steunen voornamelijk op statistische analyses van kwantitatieve data, maar we nemen ook kwalitatieve input mee. De horizon voor de prognoses is de middellange termijn. Met onze prognoses initiëren we meer toekomstgericht denken, zodat beleidsmakers en andere stakeholders niet enkel rekening houden met de ‘as is’-situatie op de Vlaamse arbeidsmarkt, maar ook aanvullend indicaties krijgen over toekomstige ontwikkelingen. Op die manier krijgen ze een belangrijke bijkomende tool in handen om in te spelen op deze toekomstscenario’s, in combinatie met andere bronnen.

Het gaat bij deze competentieprognoses niet om harde voorspellingen over hoe de toekomst zal zijn, maar om door data onderbouwde inschattingen van een onzekere toekomst. Tijdens onze prognoseperiode kunnen beleidsmakers en arbeidsmarktactoren nieuwe maatregelen of aanpassingen doorvoeren, en zelfs inspelen op deze prognoses, waardoor we andere evoluties en uitkomsten krijgen. Ook kunnen externe schokken en onverwachte conjunctuurschommelingen een onvoorziene invloed hebben.