Ga verder naar de inhoud

Niet-beroepsactieven

De werkloosheidsgraad is met 3,5% historisch laag in Vlaanderen. De gekende vijvers zijn zo goed als leeggevist. Willen we de werkzaamheidsdoelstelling van 80% behalen, dan is het belangrijk om onze blik te verruimen van wie we als potentieel beschouwen op de arbeidsmarkt. We moeten op zoek gaan naar bijkomende talenten bij de niet-beroepsactieven. De groep van niet-beroepsactieven is bovendien een erg grote groep en daarom zeker de moeite waard om verder te analyseren. We vinden er verschillende profielen terug die volgens onze inschatting nog een goede band hebben met de arbeidsmarkt. Hun band kan bovendien nog versterkt worden naar de toekomst toe, zodat zij zich terug actief aanbieden op de arbeidsmarkt.

Inschatting van het arbeidspotentieel via survey-data

Om het arbeidspotentieel bij de niet-beroepsactieven te ontleden, maken we in eerste instantie gebruik van survey-data en meer bepaald de Enquête naar de Arbeidskrachten (EAK), uitgevoerd door Statbel. Op basis van deze bron stellen we berekeningen en analyses ter beschikking voor België, de gewesten en de provincies.

In 2020 bestond de Vlaamse bevolking op arbeidsleeftijd (20- tot 64-jarigen) uit 3,8 miljoen personen. Om een duidelijk beeld te geven van de omvang van de verschillende groepen stellen we de bevolking op arbeidsleeftijd voor als 100 personen. Van de 100 personen zijn er 75 aan het werk: 69 zijn volledig tewerkgesteld en 6 zijn ondertewerkgesteld. Slechts 3 personen behoren tot de actieve werklozen. Dit is een klein aandeel ten opzichte van de niet-beroepsactieven met 22 personen. Ook binnen deze niet-beroepsactieve bevolking zit er heel wat arbeidspotentieel verscholen.

Zoekende, beschikbare of inzetbare niet-beroepsactieven

In eerste instantie zijn er de zoekende, beschikbare of inzetbare niet-beroepsactieven die nog een behoorlijke band met de arbeidsmarkt hebben. In 2020 vielen 3 van de 100 Vlamingen op arbeidsleeftijd onder deze categorie:

  • Enerzijds zijn er niet-beroepsactieven die wel actief zoeken maar niet beschikbaar zijn: studies dienen nog afgerond te worden, men heeft geen alternatief voor de zorg voor kinderen, men is (tijdelijk) arbeidsongeschikt, enzovoort.
  • Daarnaast zijn er personen die willen werken en beschikbaar zijn, maar toch niet actief zoeken naar een baan. Het zijn vaak ontmoedigde werklozen. Ze hebben de hoop opgegeven, omdat ze denken niet over de juiste kwalificaties te beschikken, geen werk in de nabije omgeving te vinden, moeilijkheden hebben met de taal, of denken dat ze te jong of te oud zijn voor een baan.
  • De inzetbaren zoeken weliswaar niet actief naar werk en zijn niet beschikbaar voor werk, toch percipiëren ze zichzelf wel als werkend of werkloos wanneer gepeild wordt naar hun arbeidsmarktstatus. Deze categorie omvat ook huisvrouwen of -mannen die de zorg voor de eigen kinderen of andere afhankelijke personen op zich nemen omwille van een gebrek aan (betaalbare) opvang. Wanneer zij hier wel beroep op zouden kunnen doen, zijn zij wellicht meer bereid om zich aan te bieden op de arbeidsmarkt.

Deze groepen hebben duidelijk nog een band met de arbeidsmarkt en worden, samen met de werklozen, meegenomen bij het berekenen van de potentiële werkzaamheidsgraad: een oefening waarbij we nagaan hoe sterk de werkzaamheidsgraad zou worden opgehoogd als we erin slagen om de op het eerste gezicht ‘makkelijkste’ groepen van de arbeidsreserve aan de slag te krijgen, bovenop de werkende populatie. Meer informatie over de drempels waartegen deze groepen aanlopen, vind je in onderstaande rapporten.

Niet-direct inzetbare niet-beroepsactieven

Naast deze eerste groep onderscheiden we de niet-direct inzetbare niet-beroepsactieven, van wie we inschatten dat een gedeelte in de toekomst inzetbaar zou kunnen worden na afronding van studies of mits de nodige ondersteuning, zoals aanpassing van het werk, hulp bij verplaatsingen van en naar het werk, aangepaste uitrusting en dergelijke meer.

  • De arbeidsongeschikten vormen hier de grootste deelgroep, met 6 niet-beroepsactieven (op een totaal van 22 niet-beroepsactieven). Deze personen geven aan hinder te ondervinden door een handicap, langdurige aandoening of ziekte en stellen dat ze geen betaalde arbeid meer kunnen verrichten. We vinden opvallend meer kortgeschoolden en 50-plussers terug in deze categorie.
  • Daarnaast zijn de huisvrouwen- en mannen goed vertegenwoordigd in deze groep. Enerzijds gaat het over vrouwelijke 50-plussers die geboren zijn binnen België of de EU. Dit is eerder een uitdovende groep, aangezien we al geruime tijd constateren dat steeds meer generaties van Belgische vrouwen aan het werk gaan. Anderzijds gaat het over vrouwen uit de jongere leeftijdsgroep (25-49 jaar) met een niet-Belgische achtergrond, van wie het merendeel ook kortgeschoold is.
  • Vervolgens kunnen we ook een kleine groep onderscheiden die ter beschikking zijn gesteld voorafgaand aan pensioen of onder het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag (SWT) vallen.
  • Als laatste geven 4 van de 22 niet-beroepsactieven aan student te zijn. Het merendeel van hen zal zich na afronding van de studies actief op de arbeidsmarkt begeven en vormt daarom niet de scope binnen deze oefening.

Niet-inzetbare niet-beroepsactieven

Tot slot zijn er de niet-beroepsactieven die zichzelf percipiëren als (vervroegd) gepensioneerd. Zij hoeven zich niet beschikbaar te stellen om toekomstige vacatures in te vullen, ook al is het in principe niet uitgesloten dat ze nog werk kunnen verrichten tijdens hun (vervroegd) pensioen. In 2020 labelen we daarom 5 personen als ‘niet-inzetbaren’ binnen de niet-beroepsactieven.

Inschatting van het arbeidspotentieel via administratieve data

Het arbeidspotentieel binnen de Vlaamse bevolking brengen we ook in kaart via het Datawarehouse Arbeidsmarkt & Sociale Bescherming (DWH AM&SB) van de Kruispuntbank voor Sociale Zekerheid. Omdat het over administratieve gegevens gaat, zijn de groepen die we hier kunnen onderscheiden enigszins anders dan deze die we afbakenen op basis van de EAK. We zetten het DWH AM&SB voornamelijk in om bij de niet-beroepsactieven in te zoomen op personen in ziekte, invaliditeit of ongeval, personen met een leefloon en financiële hulp en personen met een tegemoetkoming voor handicap. We kunnen daarbij op termijn ook de mobiliteit vanuit deze arbeidsmarktpositie naar de arbeidsmarkt in kaart brengen. Let wel: de leeftijdsafbakening die we hier kunnen hanteren, is 18 tot 64 jaar (tegenover 20 tot 64 jaar bij de EAK).

De totale groep van niet-beroepsactieven is in 2019 met 680 800 personen bijna zes keer zo groot als de werklozenpopulatie, goed voor 17% van de bevolking op arbeidsleeftijd. De grootste groepen zijn de rechtgevende kinderen voor kinderbijslag en de (vervroegd) gepensioneerden. Deze beschouwen we niet als bijkomend arbeidspotentieel aangezien de eerste groep voornamelijk bestaat uit studenten die op termijn vanuit het onderwijs de arbeidsmarkt betreden, de gepensioneerden vanuit het wettelijke pensioen al uit de arbeidsmarkt getreden zijn.

In de toekomst zullen we ook via deze bron het arbeidspotentieel blijven monitoren. Momenteel kan je onze cijfers en inzichten op basis van het DWH AM&SB raadplegen via onderstaande rapporten.

Elk talent een kans geven

Naast de groep van werklozen ligt er ook arbeidspotentieel verscholen bij de werkende en niet-beroepsactieve bevolking. Vanuit een inclusieve benadering kan de band met de arbeidsmarkt die zij hebben in rekening worden gebracht, en worden versterkt waar mogelijk. Niet zozeer vanuit een straffende benadering, maar vanuit een faciliterende aanpak die beoogt dat mensen makkelijker de stap kunnen zetten naar de arbeidsmarkt, of minder makkelijk uitvallen op de arbeidsmarkt. De Vlaamse Regering onderschreef deze visie in haar regeerakkoord (2019) en in haar missieverklaring.

Het arbeidspotentieel activeren lijkt niet altijd evident. De hindernissen die mensen ervan weerhouden om zich actief aan te bieden op de arbeidsmarkt, zijn immers uiteenlopend en variëren zowel tussen als binnen groepen. Deze drempels situeren zich meestal op het snijvlak van verschillende actoren en vragen dus ook een aanpak die transversaal is en betrokkenheid vergt van alle spelers: het individu, de werkgever en de overheid. Toch is er ruimte om de band met de arbeidsmarkt versterkt aan te halen bij zij die er nu verder vanaf staan. Velen van hen lijken immers verder verwijderd te zijn van de arbeidsmarkt omdat in hun levensparcours de arbeidsmarktband werd losgelaten of zelfs werd doorgeknipt.

Eén maatregel of aanpak zal daarom niet voldoende zijn. Verschillende aspecten kunnen de toeleiding naar werk versterken, waarbij ook maatwerk en de nodige creativiteit belangrijk zijn. Het gaat om beleid op het vlak van opleiding (bijvoorbeeld in het kader van heroriëntering en het tegengaan van verouderde vaardigheden, retentie en ontmoediging), betaalbare en werk-combineerbare kinderopvang, werkbaar werk, multi-werkgeverschap, eindeloopbaan, transitie onderwijs-arbeidsmarkt, inclusief ondernemen, enzoverder. Dit bevindt zich vaak op het snijvlak van meerdere beleidsdomeinen en -niveaus. Versterkte samenwerking tussen alle niveaus en alle betrokkenen, maar ook ruimte voor asymmetrisch beleid, zullen cruciaal zijn in deze omwentelingen.

In onderstaande Steunpunt-rapporten gaan we dieper in op het beleidsaspect.

Andere interessante thema's

Mobiliteit tussen arbeidsmarktstatuten

Wat zijn de bewegingen tussen de verschillende arbeidsmarktposities werkend, werkloos en niet-beroepsactief?

Meer lezen